Situering in leerplan

Terug naar inhoud

 

Wiskunde

4.2 meten

(p22 25)

 

4.2.3. HET BEGRIP OMTREK

 

Tweede graad

 

2.2.08 De omtrek van een vlakke figuur kunnen bepalen, rekening houdend met de kenmerken van de vlakke figuur (welke afmetingen moeten we meten?).

2.2.09 Een bepaalde afmeting van een vlakke figuur berekenen als de omtrek en de andere nodige afmetingen gegeven zijn.

 

Derde graad

 

3.2.06 Inzien dat de verhouding tussen de omtrek van een schijf en de diameter constant is. Deze verhouding is het getal π = 3,14. Dit inzicht toepassen om de omtrekformule van de schijf te vinden.

3.2.07 De omtrek van een schijf kunnen berekenen.

 

 

4.2.6. OPPERVLAKTE

 

Tweede graad

 

2.2.16 Inzien dat de oppervlakte van een figuur:

- niet bepaald wordt door de vorm van de figuur;

- niet bepaald wordt door de omtrek van de figuur;

- niet afhankelijk is van de stand van de figuur in de ruimte.

2.2.17 De begrippen gelijke, grotere, grootste, oppervlakte

en hun onderling verband kunnen gebruiken bij het vergelijken van oppervlakten:

- door globaal te bedekken;

- door de figuren op de meest doeltreffende manier te

verknippen;

- door met ervaringsmaten te bedekken.

2.2.18 Roosters kunnen gebruiken om:

- regelmatige oppervlakten te meten;

- grillige oppervlakten bij benadering te meten. Op ruitjespapier verschillende figuren met een gegeven oppervlakte kunnen tekenen.

2.2.19 De conventionele oppervlaktematen (cm, dm, m)

aan ervaringsmaten kunnen koppelen en deze koppelingen bij het schatten van oppervlakten kunnen gebruiken.

2.2.20 Een oppervlaktemeter (met als eenheid cm, dm) kunnen gebruiken om de oppervlakte van een figuur te meten.

2.2.21 Met behulp van een oppervlaktemeter (met als eenheid

cm, dm), door systematisch tellen van het aantal oppervlakte-eenheden, de oppervlakte van een rechthoek kunnen bepalen.

 

Derde graad

 

3.2.13 De meetresultaten kunnen noteren (gebruikmakend van de symbolen):

- cm, dm, m;

- mm, dam, hm, km;

- ca, a, ha.

3.2.16 De oppervlakte van vlakke figuren kunnen berekenen door omstructurering van deze figuren in andere vlakke figuren waarvan ze de oppervlakte reeds

kunnen berekenen (verdelen, compenseren en aanvullen).

3.2.17 Inzicht verwerven in het afleiden van oppervlakteformules,

door het omstructureren naar figuren

3.2.18 Opvullen van de begrippen die noodzakelijk zijn om de oppervlakteformules te kunnen afleiden:

- bij een parallellogram: basis en overeenkomstige hoogte;

- bij een regelmatige veelhoek: de omgeschreven cirkel, het middelpunt en het apothema.

3.2.19 De oppervlakteformules van de schijf kennen en kunnen gebruiken

 

 

4.3 MEETKUNDE

(p.36-38)

 

Derde graad

 

3.3.14 In de verzameling van de veelhoeken deelverzamelingen

kunnen bepalen met als criterium: het

hebben van geen, n, twee, symmetrieassen.

3.3.15 In de verzameling van de vlakke figuren die geen

veelhoek zijn, deelverzamelingen kunnen bepalen met

als criterium: het hebben van geen, n, twee,

oneindig veel symmetrieassen.

3.3.16 Het begrip schijf kunnen gebruiken.

3.3.17 De belangrijkste delen van een schijf (cirkel,

middelpunt, middelpuntshoek, middellijn, straal,

diameter, koorde, boog) kunnen aanduiden en correct

benoemen.

3.3.18 Met behulp van een passer een cirkel kunnen tekenen

met gegeven straal.